Wég met vage concepten als ‘betrokkenheid’ en ‘verbindend leiderschap’!

Boek: Goede leiders zweven niet. De fundamenten van effectief leiderschap in organisaties en de maatschappij

Schrijvers: Janka Stoker & Harry Garretsen

Recensent: Bert Peene

Middenmanagers in het vo hebben een sleutelrol bij het realiseren en verbeteren van onderwijsopbrengsten. Lang niet alle middenmanagers zijn echter in de positie om die sleutelrol succesvol te kunnen vervullen. Zijn ze geen manusje-van-alles meer of Kop van Jut, dan beperkt hun rol zich nog te vaak tot die van regelneef. Tot die alarmerende conclusie kwamen ruim vijf jaar geleden de samenstellers van de brochure ‘Middenmanagement in positie. Leidinggeven aan opbrengstgericht werken’ (VO Raad 2013).  Anno 2018 is de situatie op sommige (veel?) scholen nauwelijks beter, weet ik uit ervaring, maar als we kijken naar wat er in de achterliggende jaren wel is gerealiseerd, kunnen we vaststellen dat afdelingsleider, teamleider of conrector tegenwoordig een functie is die serieus genomen en voldoende tot goed gefaciliteerd wordt. Een voorzichtige conclusie zou dus kunnen luiden dat het middenmanagement inmiddels in positie is.

Toch is enige voorzichtigheid hier op zijn plaats. De auteur van de eerder genoemde brochure omschrijft het in positie zijn als ‘dat het middenmanagement  in staat is een goede bijdrage te leveren aan het realiseren van de opdracht van de school.’ Dat lijkt vrij duidelijk, maar daaronder liggen twee andere vragen, die niet beantwoord worden maar wel degelijk de moeite van het bestuderen waard zijn: wat is een (midden)manager eigenlijk en wat doet zo iemand precies? Enkele jaren geleden leidde die zoektocht al tot het boek ‘Wat willen we nou van managers? Op zoek naar de essentie van organisaties’ van Wouter Fioole (2014). Op zoek naar antwoorden werkte hij zich door zo’n beetje alle gezaghebbende (inter)nationale managementliteratuur, om uiteindelijk te moeten vaststellen dat deze niet de duidelijkheid brachten die hij zocht. Management bestaat uit het continu omgaan met dilemma’s en management bestaat alleen in context: veel duidelijker werd het niet.

Ook Janka Stoker en Harry Garretsen, professoren te Groningen, laten er in hun boek ‘Goede leiders zweven niet’ geen twijfel over bestaan: leiderschap is een cruciale factor waardoor sommige organisaties het beter doen dan andere. En zij kunnen het weten, zou je zeggen, want ook zij zijn op reis gegaan door het omvangrijke corpus van de managementliteratuur, maar zij beperkten zich daarbij tot die publicaties die wetenschappelijk verantwoord zijn. Dat is ook wat zij met hun boek beogen: laten zien dat er relevant en bruikbaar onderzoek is gedaan waarmee je als leider in de praktijk je voordeel kunt doen.

Dat levert een groot aantal interessante inzichten op die aangeboden worden onder meerdere noemers, zoals de relatie tussen leiderschap en type organisatie, leiderschap in tijden van globalisering, vrouwelijk vs mannelijk leiderschap en ‘leiderschap en het gemakzuchtige generatiedenken’. Ik pik er een aantal inzichten uit die met name voor het (voortgezet) onderwijs relevant zijn.

Zo wijst onderzoek uit dat leiders zeker niet overbodig zijn en dat management echt zijn langste tijd nog niet gehad heeft. Dat staat dus lijnrecht tegenover wat steeds meer de communis opinio lijkt te worden en die ertoe leidt dat ‘verplatting’ van organisaties een tendens is die moeilijk genegeerd kan worden. In navolging van Buurtzorgeigenaar Jos de Blok wordt management steeds vaker als ‘flauwekul’ afgedaan. Volgens de auteurs kun je erover twisten hoe juist die opvatting is – dat is vooral afhankelijk van de context – maar de tendens op zich heeft de functie van het overgebleven middenkader alleen maar belangrijker gemaakt. Middenmanagers moeten tegenwoordig vooral goed zijn in veranderactiviteiten; zij hebben de cruciale taak nieuwe strategieën te vertalen naar het operationele niveau.

Onderzoek maakt bijvoorbeeld ook duidelijk dat van leiders zonder onderwijskundige achtergrond weinig goeds te verwachten valt; in principe althans. Met name de Britse wetenschapper Amanda Goodall  laat in haar werk op overtuigende wijze zien hoe belangrijk functionele expertise is. Het blijkt de krachtigste voorspeller voor tevredenheid met het werk onder medewerkers te zijn én van cruciaal belang voor het presteren van een organisatie.  Dus, zij-instromers aan de top van een onderwijsorganisatie: prima, zolang hij of zij er maar in slaagt zich het onderwijs snel eigen te maken.

In ‘Goede leiders zweven niet’ gaan de auteurs op zoek naar de fundamenten van effectief leiderschap. Dat zijn er in wezen twee: goede leiders gebruiken geen vage concepten als ‘wendbaarheid’, ‘betrokkenheid’ en ‘verbindend leiderschap’ én ze staan niet los van hun omgeving. Dat laatste lijkt overigens fnuikend voor de ontwikkeling van vrouwen die graag naar de top willen.  Kort gezegd schijnen die het nooit goed te kunnen doen.

 

Bert Peene is opleider en werkt daarnaast als journalist voor Managementboek Magazine en het VO Magazine.​​​​​
​​​​​​​


Gastrecensie 

Recensent: Kees Torreman

Veel managementboeken gaan over het succesverhaal, boeken met een boodschap waarin wordt uitgelegd ‘hoe het moet’. Stoker en Garretsen zijn wars van veel van deze moderne concepten. In ‘Goede leiders zweven niet’ verbinden zij de theorie (wat is bewezen en werkt) met de praktijk; zin en onzin over leiderschap, getoetst aan de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Ze laten zien wat werkt en waarom dat zo is?

Goede leiders weten waar ze met hun organisatie naartoe willen, ze zijn koersvast en houden daarom veel modieuze ‘gekkigheid’ buiten de deur. Leidinggeven is vooruit zien, inspireren en tegelijkertijd geaard zijn in de tijd en de omstandigheden waarin een leider functioneert. Effectief leiderschap is context-gebonden, het gaat om de juiste man of vrouw, op het goede moment op de juiste plaats.

Met deze uitgangspunten in het achterhoofd worden de belangrijkste leiderschapsthema’s belicht, zoals het belang van goed leiderschap (‘een goede baas loont’) en het verschil tussen leiderschap en management. Ook het onderscheid transactioneel leiderschap (voornamelijk gericht op afspraken en resultaten) en transformatief leiderschap (met accent op het inspireren en het uitdragen van de visie en waarden van de organisatie) komt aan de orde. Naast aandacht voor de technische kanten van het leiderschap (managementvaardigheden en processturing) staan de schrijvers ook stil bij de individuele dimensie, de persoonlijke kwaliteiten van de leider. Wat maakt een leider tot een goede leider?

In het laatste deel van het boek staat de toekomst van het leiderschap centraal. Wat betekenen nieuwe (technologische) ontwikkelingen voor organisaties in de (nabije) toekomst? Goede leiders moeten daar niet alleen inhoudelijk iets van vinden, maar ook in staat zijn een toekomstvisie (een goed verhaal) op de mat leggen. Om, ten slotte, aandacht te hebben voor een succesvolle implementatie. Dat kan alleen als de leider mensen weet te binden en het vertrouwen heeft van een ieder die bij deze veranderingen is betrokken.

Het boek is een mooie mix van theorie en praktijk. Aan de hand van voorbeelden uit de politiek en het bedrijfsleven wordt helder wat leiders doen, wat hun drijfveren zijn, en wordt geschetst wat hun tekortkomingen zijn en hoe zij omgaan met macht en onmacht.

‘Goede leiders…’ is zeker voor schoolleiders een aantrekkelijk boek. Het sluit aan bij de huidige discussie over de versterking van het schoolleiderschap. Zo bepleitte de Onderwijsraad, begin dit jaar, meer te investeren in management en leiderschap binnen het VO. In hun advies, vastgelegd in ‘Een krachtige rol voor schoolleiders’, geven ze aan waar de schoen wringt en waar het vooral beter moet. De bewindslieden van OC&W namen dit advies, vorige maand, (bijna) onverkort over.

Verder biedt dit boek aanknopingspunten voor de discussies die scholen voeren. Schoolleiders worstelen dagelijks met organisatievraagstukken. Moet ik sturen … of niet? En hoe doe ik dat dan? Welke rol is daarbij weggelegd voor (zelfsturende) teams? En wat betekent dat voor mijn rol als schoolleider? Het boek nodigt uit om stil te staan bij de verschillende aspecten van effectief leiderschap en vraagt van de lezer/schoolleider bij zichzelf te rade te gaan. Hoe ziet mijn leiderschap er uit en welke slagen kan/wil/moet ik nog maken?

Stoker en Garretsen hebben een mooi boek geschreven. Ik kan het iedereen aanraden.

 

Kees Torreman is interim- bestuurder in het VO. Daarnaast adviseert hij scholen over organisatieontwikkeling.​​​​​
​​​​​​​


Ingezonden recensie 2

Recensent: Kristin Renooij-Stroes, Conrector bij Tabor College Werenfridus; Hoorn

Rapportcijfer: 6.5

Het boek ‘Goede leiders zweven niet’ geeft een interessante uiteenzetting over de, zoals de schrijvers in de epiloog samengevat weergeven, tien wetten van goed leiderschap. Deel 1 beschrijft de ideale kenmerken van een leider en deel 2 hoe diverse leiderschapskwaliteiten in verschillende organisaties verschillend worden gewaardeerd. In deel 3 staat welk leiderschap nodig is een veranderende omgeving, centraal.

Voor schoolleiders valt er in dit boek niet direct veel te halen. Er zijn geen praktische handvatten en de voorbeelden betreffen vooral het leiderschap in de politiek en bij commerciële bedrijven. Daarnaast is het even doorbijten om de zeer versimpelde grafieken goed te doorgronden en op waarde te kunnen schatten.

Het hoofdstuk over vrouwelijk leiderschap geeft een compleet maar ook onthutsend beeld van de bijna onmogelijke taak voor vrouwen om het glazen plafond te doorbreken. Het ideale beeld van een leider is nog altijd masculien, maar als een vrouw zich masculien gaat gedragen, vinden veel mensen dat moreel verwerpelijk. Toch blijken vrouwen als leiders meer betrokken te zijn bij hun werk en werknemers daardoor ook weer meer betrokken bij hun werk. Dit hoofdstuk maakte wat mij betreft het het lezen van dit boek de moeite waard.